Belgium

Details

  • Service: Tax & Legal
  • Type: Business and industry issue
  • Date: 23/07/2012

Discretionair portefeuillebeheer niet vrijgesteld van btw 

E-Tax Flash
Op 19 juli 2012 heeft het Europees Hof van Justitie (hierna, “EHVJ”) haar uitspraak in de zaak Deutsche Bank AG (C-44/11) met betrekking tot de btw-behandeling van discretionair portefeuillebeheer gepubliceerd. Het EHVJ volgde hierbij zoals verwacht de opinie van de advocaat-generaal, gepubliceerd op 8 mei 2012, waarin werd gesteld dat discretionair portefeuillebeheer voor btw-doeleinden beschouwd dient te worden als eenzelfde belastbare transactie (zie onze e-Tax Flash van 6 juni 2012).

De feiten

Deutsche Bank (hierna, “DB”) heeft contracten met haar klanten afgesloten betreffende het discretionair beheer van hun bezittingen. Deze vorm van vermogensbeheer bestaat voor een belegger uit het definiëren van een beleggingsstrategie en een risicoprofiel met een beheerder. Die beheerder is vervolgens vrij om beleggingsbeslissingen te nemen, zonder daarbij instructies van de klant te krijgen, en om de beleggingen te doen die hij nodig acht om het doel te bereiken, onder andere door effectenverrichtingen uit te voeren. Daarenboven is de beheerder belast met het bewaren van de aangekochte effecten op een effectenrekening op naam van de klant.

 

De diensten van DB in het kader van discretionair portefeuillebeheer voor rekening van hun klanten bestaan uit:

  • vermogensbeheer; 
  • aankoop en verkoop van waardepapieren; 
  • administratieve diensten verbonden met het bezit van effecten.

 

De vergoeding die DB ontvangt, bestaat uit een percentage van de waarde van de beheerde portefeuille, waarvan een gedeelte betrekking heeft op het vermogensbeheer en een ander deel op de aan- en verkoop van waardepapieren.

 

DB ging ervan uit dat haar diensten op het gebied van portefeuillebeheer vrijgesteld waren van btw krachtens de Duitse btw-wetgeving. De Duitse administratie deelde die mening echter niet. Het Bundesfinanzhof besliste vervolgens om een prejudiciële vraag voor te leggen aan het EHVJ.

 

Meer bepaald heeft het Bundesfinanzhof de volgende vragen voorgelegd aan het EHVJ: 

  • Dienen de diensten van DB behandeld te worden als afzonderlijke verrichtingen waarbij elke verrichting is onderworpen aan zijn eigen btw-behandeling of, integendeel, als een unieke globale verrichting die eenzelfde btw-behandeling volgt?
  • Indien de desbetreffende dienst een unieke verrichting betreft, kan deze dienst op het gebied van portefeuillebeheer dan genieten van een btw-vrijstelling?

 

Uitspraak van het EHVJ

In navolging van de opinie van de advocaat-generaal, concludeert het EHVJ dat de individuele diensten verricht door DB behandeld dienen te worden als eenzelfde, ondeelbare economische handeling.

 

Volgens het EHVJ dienen de diensten met betrekking tot het analyseren en monitoren van het vermogen van de klant investeerders aan een kant en de diensten met betrekking tot het effectief aankopen en verkopen van effecten aan de andere kant op gelijke voet geplaatst te worden en zijn ze zo nauw verwant dat zij, objectief gezien, eenzelfde economische handeling vormen, waarbij het kunstmatig zou zijn om ze te splitsen.

 

Met betrekking tot de vraag inzake de toepassing van de btw-vrijstelling voor de desbetreffende dienstverrichting, concludeerde het EHVJ negatief.

 

Naar haar mening, valt het discretionair portefeuillebeheer niet binnen het toepassingsgebied van de btw-vrijstelling voorzien voor het beheer van speciale investeringsfondsen. Aan de andere kant, bestaat portefeuillebeheer eigenlijk uit twee elementen, waarbij het onmogelijk is te bepalen dat een element de hoofdtransactie vormt en de andere bijkomstige diensten. Aangezien de btw-vrijstellingen strikt geïnterpreteerd dienen te worden, kunnen diensten in het kader van portefeuillebeheer niet vrijgesteld worden als effectentransacties.

 

Op deze basis, concludeert het EHVJ dat discretionair portefeuillebeheer voor btw-doeleinden eenzelfde belastbare transactie vormt.
 
Implicaties

Het EHVJ heeft elke mogelijke twijfel met betrekking tot de btw-behandeling van toepassing op de verschillende types van diensten verricht in het kader van een mandaat inzake discretionair portefeuillebeheer weggewerkt. Dit arrest kan significante gevolgen hebben zowel voor portefeuillebeheerders die beslisten hun diensten geheel of gedeeltelijk vrij te stellen en instellingen die zulke diensten ontvangen van buitenlandse portefeuillebeheerders.

 

Deze economische spelers moeten nu de impact van dit arrest anticiperen en de nodige stappen ondernemen om mogelijke sanctionering te vermijden of te minimaliseren.

 

Portefeuillebeheerders zullen gedetailleerd de verschillende diensten verricht in het kader van hun mandaat moeten nakijken en analyseren of deze diensten gelijkaardig zijn aan het feitenpatroon van het arrest Deutsche Bank. Indien dit het geval is, zullen zij zich in lijn moeten stellen met de uitspraak van het EHVJ en zou het kunnen dat zij hun contractuele overeenkomsten dienen te herzien.

 

Bedrijfsinvesteerders, aan de andere kant, zullen mogelijks regularisaties dienen uit te voeren indien zij de diensten verricht door buitenlandse portefeuillebeheerders geheel of gedeeltelijk als vrijgesteld beschouwden.