Belgium

Details

  • Service: Tax & Legal
  • Type: Publication series
  • Date: 10/01/2013

Voor meer informatie

Jos Goubert, Director

+32 2 708 46 80

 

 

Sabine Graziosi, Senior Manager

+ 32 2 708 37 44

 

Peter Vanlerberghe, Manager

+32 2 708 38 65

Fiscaal jaaroverzicht 2012 en vooruitzichten 2013 

Fiscaal jaaroverzicht 2012 en vooruitzichten 2013
Nu de meeste bedrijven hun boekjaar 2012 hebben afgesloten, willen we graag nog even de balans opmaken van de fiscale actualiteit van het voorbije jaar. Na een kort overzicht van de maatregelen die gelden vanaf aanslagjaar 2013 (boekjaar/inkomstenjaar 2012) zetten we de maatregelen op een rij die van kracht zijn sinds 1 januari 2013 of van kracht worden in de loop van 2013.
  1. Maatregelen die gelden vanaf aanslagjaar 2013 of inkomstenjaar 2012

 

1.1. Maatregelen voor bedrijven

 

  • Notionele interestaftrek


Vanaf aanslagjaar 2013 wordt het tarief van de notionele interestaftrek geplafonneerd op 3% (3,5% voor KMO's). Omdat de gemiddelde referte-index J (lineaire obligaties 10 jaar) voor 2011 hoger lag dan 3%, geldt dit maximumtarief dus voor aanslagjaar 2013.


Bovendien is het niet langer mogelijk om de notionele interestaftrek die niet kon worden afgetrokken bij gebrek aan (voldoende) belastbare winst over te dragen naar de 7 volgende belastbare tijdperken.


Een overgangsbepaling voorziet echter dat de stock aan overgedragen aftrek die bestaat op 31 december 2011 of op het einde van het belastbaar tijdperk verbonden met aanslagjaar 2012 (boekjaar ten laatste afgesloten op 30 december 2012) nog kan worden overgedragen naar en afgetrokken van de winst over de 7 volgende belastbare tijdperken. Het aftrekbare bedrag voor elk belastbaar tijdperk wordt wel beperkt: indien het belastbaar resultaat meer bedraagt dan 1 miljoen EUR, dan wordt het aftrekbaar bedrag boven 1 miljoen EUR beperkt tot 60%.

 

De bedragen die niet konden worden afgetrokken wegens deze beperking, kunnen worden afgetrokken van de winst van latere belastbare tijdperken, zelfs na afloop van de oorspronkelijk voorziene 7 tijdperken. De overgedragen notionele interestaftrek wordt de laatste bewerking  in de berekening van de belastbare basis in de vennootschapsbelasting.


Deze maatregelen gelden vanaf aanslagjaar 2013. De wet voorziet echter een anti-misbruikbepaling voor de inwerkingtreding. Elke wijziging aangebracht vanaf 28 november 2011 aan de datum van afsluiting van de jaarrekening blijft zonder gevolg voor de toepassing van deze maatregelen.

 

  • Onderkapitalisatie


Op 1 juli 2012 werd een algemene bepaling van kracht tegen de onderkapitalisatie van vennootschappen.
In overeenstemming met deze bepaling zijn interesten op leningen niet aftrekbaar indien, en in de mate van die overschrijding, het totaalbedrag van de leningen hoger is dan 5 keer de som van de belaste reserves bij het begin van het belastbare tijdperk en van het gestort kapitaal op het einde van dit tijdperk.


Deze aftrekbeperking geldt wanneer de werkelijke verkrijgers van de interesten:

  • gevestigd zijn in een belastingparadijs;
  • deel uitmaken van een groep waartoe de schuldenaar behoort. Het begrip 'groep' omvat daarbij alle verbonden vennootschappen in de zin van artikel 11 van het Wetboek van vennootschappen.


De werkelijke verkrijgers van de interesten worden geacht gevestigd te zijn in een belastingparadijs wanneer ze niet onderworpen zijn aan inkomstenbelasting of ze voor deze inkomsten onderworpen zijn aan een aanzienlijk gunstigere aanslagregeling dan die welke voortvloeit uit de Belgische bepalingen van gemeen recht.


In geval van leningen gewaarborgd of gefinancierd door een derde wordt deze derde geacht de werkelijke verkrijger van de interesten te zijn, indien deze waarborg of dit verschaffen van middelen als hoofddoel belastingontwijking heeft.
De term 'lening' omvat daarbij niet obligaties uitgegeven door een openbaar beroep op het spaarwezen of leningen toegekend door in de Europese Economische Ruimte gevestigde financiële instellingen.


De 'thin cap'-maatregel is niet van toepassing op leningen aangegaan door:

  • vennootschappen voor roerende leasing en vennootschappen waarvan de voornaamste activiteit bestaat uit factoring of onroerende leasing en dit binnen de financiële sector en voor zover de ontleende kapitalen effectief dienen voor leasing- en factoringactiviteiten; 
  • vennootschappen waarvan de voornaamste activiteit bestaat in het uitvoeren van een project van publiek-private samenwerking gegund na inmededingingstelling.


Voor thesauriecentra, die financieringsactiviteiten verrichten in het kader van een raamovereenkomst voor gecentraliseerd thesauriebeheer binnen een groep, wordt de 'thin cap'-maatregel toegepast op het positieve verschil tussen:

 

  • interesten betaald voor sommen die ter beschikking worden gesteld door vennootschappen van de groep, en
  • interesten ontvangen voor sommen die ter beschikking worden gesteld aan vennootschappen van de groep.

 

  • Meerwaarden op aandelen

 

De vrijstelling van door vennootschappen gerealiseerde meerwaarden op aandelen wordt onderworpen aan een bijkomende voorwaarde. Het volstaat niet langer dat eventuele inkomsten uit deze aandelen voldoen aan de kwalitatieve voorwaarden van het DBI-stelsel, de aandelen moeten eveneens gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar in volle eigendom zijn aangehouden. Indien deze bijkomende voorwaarde niet is nageleefd (maar wel voldaan werd aan de kwalitatieve voorwaarden inzake DBI), dan worden de meerwaarden belast aan een afzonderlijk tarief van 25% (te vermeerderen met de aanvullende crisisbijdrage van 3%).


Voor tradingvennootschappen (bedrijven onderworpen aan het koninklijk besluit op de jaarrekening van de kredietinstellingen en beleggingsondernemingen) geldt een specifieke regeling voor de meerwaarden die ze realiseren op aandelen in hun handelsportefeuille. Deze meerwaarden worden belast aan het normale tarief van de vennootschapsbelasting, terwijl de minderwaarden op deze aandelen fiscaal aftrekbaar zijn.

 

  • Verworpen uitgaven: bedrijfswagens

 

In de vennootschapsbelasting wordt 17% van het voordeel van alle aard dat voortvloeit uit het privégebruik van wagens die ter beschikking worden gesteld van werknemers of zaakvoerders voortaan opgenomen onder de verworpen uitgaven. Deze maatregel is van toepassing op voordelen toegekend vanaf 1 januari 2012.

 

  • Aanpassing van de investeringsaftrek bij overdracht van het gebruiksrecht van activa


De overdracht van het gebruiksrecht van activa weerhoudt KMO's er niet langer van om te genieten van de investeringsaftrek op voorwaarde dat de verkrijger van het gebruiksrecht ook voldoet aan de voorwaarden om deze aftrek te kunnen toepassen. Deze maatregel geldt vanaf aanslagjaar 2013 op voorwaarde dat de betrokken activa werden verworven of samengesteld vanaf 1 januari 2012.

 

  • Interne pensioenvoorzieningen


Sinds 1 januari 2012 is het niet langer mogelijk om interne voorzieningen aan te leggen voor nieuwe individuele pensioentoezeggingen. De bestaande voorzieningen mogen behouden blijven, maar ze mogen niet verhoogd worden. Bovendien moeten de bedrijven die dergelijke voorzieningen hebben aangelegd een afzonderlijke heffing betalen van 1,75%, die tegelijk wordt ingekohierd met de vennootschapsbelasting voor aanslagjaar 2013. De betaling van deze heffing mag over 3 jaar worden gespreid, met een jaarlijks tarief van 0,60%. De heffing is niet fiscaal aftrekbaar.

 

  • Fiscaal neutrale overdracht van interne voorzieningen en bedrijfsleidersverzekeringen


Om de overdracht van bestaande interne voorzieningen of bedrijfsleidersverzekeringen naar een verzekeringsmaatschappij, een pensioeninstelling of een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening aan te moedigen, voorziet de wetgever een fiscaal neutraal regime: de overdracht wordt vrijgesteld van de jaarlijkse taks op de verzekeringsverrichtingen van 4,4%, die in principe verschuldigd is op levensverzekeringspremies.


1.2. Maatregelen betreffende roerende inkomsten


Het tarief in de roerende voorheffing op bepaalde interesten en dividenden stijgt van 15% naar 21% (er zijn echter een aantal uitzonderingen voorzien, vooral wat betreft interesten op gereglementeerde spaarrekeningen boven een bedrag van 1.830 EUR (vrijstelling schijf interesten op gereglementeerde spaarrekeningen).


Via de personenbelasting wordt bovendien een bijkomende heffing van 4% toegepast wanneer het totaalbedrag van de in 2012 ontvangen dividenden en interesten meer bedraagt dan 20.020 EUR. Deze heffing wordt berekend op de interesten en dividenden die deze drempel overschrijden. Interesten en dividenden die onderworpen zijn aan een roerende voorheffing van 10% of 25% zijn echter niet onderworpen aan deze bijkomende heffing.


Roerende inkomsten moeten in principe worden vermeld in de aangifte in de personenbelasting. Wanneer echter een roerende voorheffing en, indien van toepassing, de bijkomende heffing van 4% werden ingehouden aan de bron en de belastingplichtige verklaart geen inkomsten te hebben ontvangen die kunnen worden onderworpen aan de heffing van 4%, dan geldt de aangifteplicht niet.


1.3. Maatregelen die voornamelijk gelden voor natuurlijke personen

 

  • Omzetting van aftrekbare uitgaven in belastingverminderingen


Met uitzondering van onderhoudsuitkeringen en de aftrek voor enige en eigen woning worden de aftrekbare uitgaven omgevormd naar belastingverminderingen. Deze omzetting geldt voor giften, vergoedingen voor huispersoneel, kinderoppaskosten en de kosten voor onderhoud en renovatie van beschermde monumenten en landschappen.
Giften en kinderoppaskosten geven recht op een belastingvermindering van 45%, terwijl voor de vergoedingen voor huispersoneel en uitgaven voor beschermde monumenten en landschappen een belastingvermindering geldt van 30%.

 

  • Aanpassing van de berekening van belastingverminderingen


Vanaf aanslagjaar 2013 (inkomsten 2012) wordt de belastingvermindering berekend op basis van een uniform tarief van 30% voor kosten van langetermijnsparen, PWA-cheques en inbraak- en brandbeveiliging van woningen.


Daarnaast zal, in geval van een gemeenschappelijke aanslag, de belastingvermindering naar verhouding worden verdeeld in functie van het belastbaar inkomen van elke echtgenoot voor wat betreft de renovatie van woningen gelegen in een zone voor positief grootstedelijk beleid, de renovatie van woningen bestemd voor verhuur tegen een sociale prijs, PWA- en dienstencheques (vanaf aanslagjaar 2013) en kosten voor inbraak- en brandbeveiliging van woningen (vanaf aanslagjaar 2012).

 

  • Onderhoudsuitkeringen in uitvoering van een buitenlandse wetsbepaling: aftrekbaar in hoofde van de schuldenaar; belastbaar in hoofde van de verkrijger


De administratieve praktijk die de aftrek (voor 80%) toestaat van onderhoudsuitkeringen die worden betaald krachtens een buitenlandse wetsbepaling werd wettelijk bekrachtigd. De wetsbepalingen aangaande de wijze van toerekening van deze uitkeringen werden eveneens aangepast aan de administratieve praktijk die erin bestaat de uitgaven evenredig te verdelen over het geheel van netto inkomsten van elk van de echtgenoten wanneer deze uitgaven door beide echtgenoten gezamenlijk verschuldigd zijn.

 

De voorrangstoerekening op de netto inkomsten van de echtgenoot die de schuldenaar is van de uitkeringen (met een eventuele toerekening van het saldo op de netto inkomsten van de andere echtgenoot) blijft behouden.

Ten slotte is de belastingheffing als divers inkomen van 80% van de door een inwoner van België ontvangen onderhoudsuitkeringen uitgebreid naar uitkeringen verschuldigd krachtens een buitenlandse wetsbepaling.

 

Deze maatregelen gelden vanaf aanslagjaar 2013.

 

  • Belasting van inkomsten die voortvloeien uit de concessie van het recht om een plaats te gebruiken voor de installatie van apparatuur voor mobiele telefonie


Inkomsten die (vanaf 1 januari 2012) verkregen worden uit de concessie van het recht om een plaats die van nature onroerend is te gebruiken om er zend- en ontvangstapparaten te installeren door de operatoren van mobiele telefonie zullen worden belast aan een afzonderlijk tarief van 15%.

 

Geen gemeentelijke en agglomeratie-opcentiemen op interesten en dividenden die niet beroepsmatig van aard zijn
Interesten en dividenden moeten voor aanslagjaar 2013 verplicht worden aangegeven in de aangifte in de personenbelasting, behalve indien de roerende voorheffing en de eventueel verschuldigde bijzondere bijdrage van 4% zijn ingehouden bij de bron.

 

Deze inkomsten zijn in principe onderworpen aan gemeentelijke/agglomeratie-opcentiemen  Ingevolge het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 1juli 2010 in de zaak Dijkman worden inkomsten uit investeringen in een andere Lidstaat van de EER niet opgenomen in de berekeningsbasis van de opcentiemen.  De wet schaft dit onderscheid af en bepaalt dat dividenden en interesten die geen beroepskarakter hebben uitgesloten worden van de berekeningsbasis van de opcentiemen, ongeacht hun afkomst (Belgisch of buitenlands).

 

Deze maatregel is ook van toepassing voor inkomsten van aanslagjaar 2012 wanneer de gronden van belastbaarheid verdwenen zijn voor 31 december 2012, bijvoorbeeld door een vertrek naar het buitenland.

 

  • Aangifte van levensverzekeringscontracten afgesloten in het buitenland


Belastingplichtigen moeten in de aangifte in de personenbelasting voor het aanslagjaar 2013 voor het eerst de in het buitenland afgesloten levensverzekeringscontracten opnemen.


1.4. Fiscale procedure: invoering van een nieuwe algemene antimisbruikbepaling


De antimisbruikbepaling van artikel 344 § 1 WIB 92, die in de praktijk moeilijk toe te passen was, werd vervangen door een nieuwe bepaling. Rechtshandelingen zijn niet tegenstelbaar aan de administratie indien deze aan de hand van objectieve omstandigheden kan aantonen dat er sprake is van fiscaal misbruik.


Er is sprake van fiscaal misbruik indien de belastingplichtige door zijn rechtshandelingen:

 

  • een verrichting tot stand brengt waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een wetsbepaling buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;
  • een verrichting tot stand brengt waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel voorzien door een wetsbepaling waarvan de toekenning in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling, terwijl de verrichting in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.


Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van inkomstenbelastingen. Indien de belastingplichtige dit tegenbewijs niet levert, dan worden de belastbare grondslag en de belastingberekening zodanig hersteld dat de verrichting wordt onderworpen aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van de wet, alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.


Deze nieuwe maatregel is van toepassing vanaf aanslagjaar 2013, alsook op rechtshandelingen gesteld tijdens een belastbaar tijdperk afgesloten ten vroegste op 6 april 2012 en behorende tot aanslagjaar 2012. Wijzigingen aangebracht vanaf 28 november 2011 tot de datum van afsluiting van de jaarrekening blijven zonder gevolg.


Een gelijkaardige maatregel wordt ingevoerd voor registratie- (en successie)rechten. Deze maatregel is van toepassing op rechtshandelingen gesteld vanaf 1 juni 2012.


2. Maatregelen die van kracht worden op 1 januari 2013 of in de loop van het jaar 2013


De maatregelen die door de overheid werden aangekondigd in het akkoord over de begroting voor 2013 werden nog niet allemaal omgezet in wetsbepalingen (vooral op het vlak van de berekening van het tarief van de notionele interestaftrek). De komende maanden zouden dus een aantal nieuwe wetten moeten volgen. De volgende maatregelen werden wel al ingevoerd.

 

2.1. Maatregelen voor bedrijven

 

  • Belasting op meerwaarden op aandelen


De meerwaarden op aandelen die momenteel nog vrijgesteld zijn, d.w.z. die verband houden met participaties die voldoen aan de kwalitatieve voorwaarden inzake DBI en de voorwaarde van bezit gedurende één jaar, worden vanaf aanslagjaar 2014 onderworpen aan een heffing van 0,4%. Deze maatregel geldt niet voor 'kleine ondernemingen' in de zin van artikel 15 van het Wetboek van vennootschappen.

 

  • Nieuwe voorwaarde voor aftrek van bijdragen voor aanvullende pensioenen


Premies en bijdragen betaald vanaf 1 januari 2013 zullen niet meer aftrekbaar zijn indien de verplichting om inlichtingen te verschaffen aan Sigedis met het oog op de samenstelling van de Databank Aanvullende Pensioenen' (ook 'tweedepijlerpensioenen' genoemd) niet wordt nageleefd.


2.2. Maatregelen betreffende roerende inkomsten


Het tarief van de roerende voorheffing gaat naar 25% voor inkomsten toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 1 januari 2013. Enkele uitzonderingen blijven echter gehandhaafd. Zo worden de volgende inkomsten onderworpen aan een tarief van 15%:

 

  • Dividenden van vastgoedbevaks1;
  • Interesten op gereglementeerde spaarrekeningen die de vrijgestelde schijf overschrijden (1.880 EUR vanaf  2013);
  • Interesten op staatsbons waarop ingeschreven werd tussen 24 november 2011 en 2 december 2011 ('Leterme-staatsbon');
  • Auteursrechten beschouwd als roerende inkomsten (eerste schijf van 56.450 EUR).


Liquidatieboni blijven onderworpen aan een roerende voorheffing van 10%.

 

De roerende voorheffing heeft opnieuw een bevrijdend karakter voor interesten en dividenden en de bijkomende bijdrage voor bepaalde roerende inkomsten wordt afgeschaft.


2.3. Maatregelen die voornamelijk gelden voor natuurlijke personen

 

  • Belasting op aanvullende pensioenkapitalen


Het belastingtarief op aanvullende pensioenkapitalen gevormd door werkgeversbijdragen gaat van 16,5% naar 20% (op 60 jaar) en 18% (op 61 jaar). De onderstaande tabel geeft een overzicht van de tarieven voor de kapitalen en afkoopwaarden betaald of toegekend vanaf 1 juli 2013.


Voor liquidatie in geval van overlijden blijft het tarief van 16,5% behouden.

 

 Leeftijd van de begunstigde op het moment van toekenning  Tarief 
 60 jaar  20%
 61 jaar  18%
 62 tot 64 jaar  16,5%
 65 jaar  10%

 

Opmerking: nog te verhogen met  gemeentelijke opcentiemen.


2.4. Belasting over de toegevoegde waarde

 

  • Aftrek van de btw op bedrijfswagens


Sinds 1 januari 2011 gelden nieuwe regels voor de btw-aftrek op bedrijfswagens, waarbij het recht op aftrek beperkt is tot het beroepsgebruik. Terwijl de oude regels nog van kracht waren in 2011 en 2012, zijn sinds 1 januari 2013 de nieuwe regels van toepassing. De administratie heeft praktische richtlijnen gepubliceerd voor de concrete toepassing van het nieuwe stelsel.
De administratie biedt ondernemingen de keuze tussen drie methoden om het beroepsgebruik van gratis ter beschikking gestelde bedrijfswagens te bepalen:

 

  • De eerste methode is gebaseerd op de werkelijk afgelegde kilometers aan de hand van een rittenboekje per wagen, waarin alle dagelijkse beroepsverplaatsingen specifiek worden bijgehouden. Het woon-werktraject wordt overigens beschouwd als privégebruik.
  • De tweede methode wordt opgevat als een semi-forfait. Hierbij wordt het privégebruik berekend als de som van het louter privégebruik (forfaitair geschat op 6.000 km per jaar) en de (werkelijke) woon-werkafstand (vermenigvuldigd met een forfait van 200 werkdagen). Dit privégebruik wordt vervolgens vergeleken met het aantal werkelijk afgelegde kilometers.


                           6.000 km + (woon-werk x 2 x 200) 
% privégebruik = ------------------------------------------------------------------------ x 100
   Totale afstand

 

  • De derde methode ten slotte bestaat uit een forfait voor beroepsgebruik van 35%. Deze methode kan enkel worden toegepast door belastingplichtigen die over minstens vier wagens beschikken. De belastingplichtige moet deze methode minstens toepassen tot 31 december van het derde jaar dat volgt op het jaar waarin de methode voor het eerst werd toegepast.

 

De belastingplichtige kan ook opteren voor een combinatie van de eerste en de tweede methode.  De derde methode moet evenwel worden toegepast op alle bedrijfswagens.


Indien een bijdrage wordt gevraagd van de werknemer voor het privégebruik van een bedrijfswagen, dan bedraagt het recht op aftrek van btw op alle wagenkosten 50%, terwijl btw moet worden betaald op de werknemersbijdrage, die ten minste moet overeenstemmen met de 'normale waarde' van het privégebruik van de wagen, indien en voor zover dit privégebruik van de wagen (berekend volgens een van de drie hierboven vermelde methodes) meer dan 50% bedraagt.

 

  • Nieuwe btw-regels inzake facturatie en opeisbaarheid


De regels inzake elektronische facturatie werden versoepeld en de regels inzake opeisbaarheid van de btw, self-billing en ontvangst van de prijs werden gewijzigd vanaf 1 januari 2013 (zie onze e-Tax Flash voor meer informatie).

 

Het feit dat de uitgifte van een factuur niet langer wordt beschouwd als een oorzaak van opeisbaarheid van de btw heeft gezorgd voor heel wat ongerustheid, vooral wat betreft de gevolgen voor de aftrekbaarheid van de btw.


Gezien het belang van onder meer de boekhoudkundige gevolgen van deze nieuwe regels hebben softwareleveranciers, de beroepsinstituten en andere vertegenwoordigers uit het bedrijfsleven met aandrang aan de btw-administratie gevraagd om de inwerkingtreding van de nieuwe wet, althans wat betreft de opeisbaarheid van de btw, uit te stellen.


De btw-administratie heeft hieraan gehoor gegeven en publiceerde eind december 2012 een beslissing (beslissing nr. E.T. 123.563 van 19 december 2012) waarin ze een overgangsperiode toekent voor het jaar 2013. Tijdens deze overgangsperiode mogen de oude regels worden toegepast (d.w.z. enerzijds betaalt de leverancier/dienstverrichter de btw onmiddellijk in de btw-aangifte voor de periode van uitgifte van de voorschotfactuur en anderzijds kan de klant de btw onmiddellijk aftrekken zonder de betaling of het moment waarop de goederen of diensten worden geleverd, af te wachten).


Dit overgangsstelsel is echter facultatief. Belastingplichtigen die de nieuwe regels inzake opeisbaarheid toch willen toepassen voor 2013, kunnen dit doen, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

 

  • Voor B2B-handelingen (uitgezonderd intracommunautaire handelingen en handelingen met betalingsuitstel) dient de belastingplichtige een voorschot te vragen via een ander document dan een factuur (bv. een uitnodiging tot betaling), dat geen melding maakt van de btw, het btw-tarief of de reden waarom de btw niet wordt aangerekend.

 

  • Voor handelingen met betalingsuitstel (andere dan intracommunautaire handelingen) mag de belastingplichtige de btw niet vereffenen in de aangifte voor de periode waarin een voorschotfactuur werd ontvangen, maar wel voor de periode waarin de betaling werd ontvangen of het belastbaar feit zich heeft voorgedaan. De belastingplichtige kan tegelijk zijn recht op aftrek uitoefenen in dezelfde btw-aangifte.

 

  • Voor intracommunautaire dienstverrichtingen aanvaardt de administratie in hoofde van de ontvanger dat deze niet het specifiek document bedoeld in artikel 9 van het Koninklijk Besluit nr. 1 hoeft op te stellen indien een factuur wordt uitgereikt enkele dagen vóór de betaling of het belastbaar feit. Hij kan deze btw slechts aftrekken vanaf het moment waarop de oorzaak van opeisbaarheid zich voordoet (d.w.z. betaling of belastbaar feit). In hoofde van de dienstverrichter aanvaardt de administratie ook dat de factuur uitgereikt wordt enkele dagen vóór de betaling of het belastbaar feit, maar de dienstverrichter zal de daaraan gekoppelde btw pas moeten betalen vanaf het moment waarop de oorzaak van opeisbaarheid zich voordoet. 

 

  •  Voor vrijgestelde intracommunautaire handelingen aanvaardt de administratie dat een factuur wordt uitgereikt enkele dagen vóór het belastbaar feit. De belastingplichtige neemt deze verrichting echter pas op in zijn aangifte en in zijn intracommunautaire listing op het moment waarop het belastbaar feit zich voordoet. Tegelijkertijd aanvaardt de administratie voor intracommunautaire verwervingen in België dat de factuur wordt uitgereikt enkele dagen vóór het belastbaar feit. De Belgische verwerver zal de btw echter pas moeten voldoen en aftrekken in zijn btw-aangifte voor de periode waarin het belastbaar feit zich voordoet.

 

  • Voor dienstverrichtingen of leveringen van roerende goederen aan particulieren door een belastingplichtige die geregeld goederen levert of diensten verstrekt aan particulieren en waarvoor hij niet verplicht is een factuur uit te reiken, wordt de btw opeisbaar in verhouding tot de inning. De administratie verduidelijkt echter dat, zelfs wanneer er vrijwillig gefactureerd wordt, het de belastingplichtige vrij staat de btw vrijwillig te vroeg te voldoen bij de uitreiking van de factuur of wanneer het belastbaar feit zich voordoet.

 

Ten slotte deelt de administratie mee dat er een nieuwe beslissing zal worden gepubliceerd in de loop van het 1e kwartaal van 2013 m.b.t. het definitieve stelsel inzake opeisbaarheid van de btw, dat van toepassing zal zijn vanaf 1 januari 2014.


2.5. Varia

 

  • Verhoging van de taks op omzetting van effecten aan toonder


De taks op de omzetting van effecten aan toonder in gedematerialiseerde effecten of in effecten op naam stijgt van 1% (omzettingen in 2012) naar 2% voor omzettingen uitgevoerd in 2013.

 

  • Verhoging van de taks op verzekeringscontracten


Het tarief van de taks op de premies voor individuele levensverzekeringen gaat van 1,10% naar 2% voor premies betaald vanaf 1 januari 2013.


Er geldt echter een uitzondering voor schuldsaldoverzekeringen (afgesloten als waarborg voor een hypothecaire lening voor de aankoop of het behoud van een onroerend goed), die onderworpen blijven aan een taks van 1,10%.

 

 

 

 

1 De voorwaarden waaraan een bevak moet voldoen om als residentiële vastgoedbevak te worden beschouwd werden strenger: hun investeringen in residentieel vastgoed moeten voortaan ten minste 80% uitmaken van het geheel van investeringen. Deze drempel van 80% zal slechts van toepassing zijn vanaf 2015 voor residentiële vastgoedbevaks waarvan de dividenden genoten hebben van de vrijstelling van roerende voorheffing in toepassing van de huidige drempel van 60%.

 

 

Share this

Gerelateerde informatie